ECLI:NL:CRVB:2015:2947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is per 31 augustus 2011. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juni 2013 een juiste weergave zijn van de arbeidsmogelijkheden van appellant.
In hoger beroep stelde appellant dat de verzekeringsarts hem opnieuw had moeten onderzoeken vanwege de lange duur van de procedure en een vermeende verslechtering van zijn gezondheid. De Raad oordeelde dat het achterwege laten van een onderzoek in de bezwaarfase niet automatisch leidt tot onzorgvuldigheid, zeker omdat de verzekeringsarts beschikte over uitgebreide medische gegevens en rapporten van de behandelend sector die de situatie op de datum van 31 augustus 2011 weerspiegelen.
De Raad concludeerde dat de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld en dat appellant medisch gezien in staat is de voorbeeldfuncties te vervullen die door de arbeidsdeskundige zijn geselecteerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.