ECLI:NL:CRVB:2015:2885

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 augustus 2015
Publicatiedatum
26 augustus 2015
Zaaknummer
15/516 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht studiefinanciering

Appellante had haar studiefinanciering per januari 2014 stopgezet en kreeg een besluit van de minister dat zij € 1.205,82 te veel had ontvangen, met vaststelling van een OV-schuld.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden. Vervolgens stelde appellante hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat appellante het griffierecht niet tijdig had voldaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak, omdat appellante geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die het verzuim kunnen rechtvaardigen. Hierdoor komt de Raad niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de bezwaren tegen het oorspronkelijke besluit.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 12 augustus 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

15/516 WSF
Datum uitspraak: 12 augustus 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
10 december 2014, 14/2550 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2015. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft bij formulier Wijzigingen Student van 3 februari 2014 haar studiefinanciering per januari 2014 stopgezet. Naar aanleiding hiervan heeft de minister appellante bij besluit van 21 februari 2014 meegedeeld dat zij in 2014 € 1.205,82 te veel studiefinanciering heeft ontvangen en is ten laste van haar een OV-schuld vastgesteld.
1.2.
Appellante heeft bij brief van 10 september 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 februari 2014.
1.3.
Bij besluit van 24 september 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en een verschoonbare reden daarvoor ontbreekt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante
tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij zijn gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar alsmede inhoudelijke gronden tegen het besluit van 21 februari 2014.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De Raad ziet zich primair gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat appellante het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan. Alleen wanneer deze vraag ontkennend wordt beantwoord staat het de Raad vrij een oordeel te geven over de door appellante in het beroepschrift aangevoerde gronden.
4.2.
In artikel 8:41, vierde tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de griffier de indiener van het beroepschrift wijst op de verschuldigdheid van het griffierecht en hem meedeelt dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
De rechtbank heeft de nota voor het griffierecht verstuurd op 8 oktober 2014. Nadat gebleken was dat het griffierecht niet was betaald, heeft de rechtbank appellante bij aangetekende brief van 6 november 2014 nogmaals erop gewezen dat zij voor het laten behandelen van haar zaak een griffierecht van € 45,- verschuldigd is. Daarbij is meegedeeld dat indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is betaald, zij het risico loopt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verder is nog vermeld dat zij hierna geen nieuwe gelegenheid krijgt om het griffierecht te betalen.
4.4.
Vaststaat dat appellante het griffierecht niet heeft betaald.
4.5.
Appellante heeft geen feiten gesteld noch is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
4.6.
Het voorgaande betekent dat de Raad niet toekomt aan een bespreking van de gronden van appellante tegen de besluitvorming van de minister.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) B. Fotchind

AP