ECLI:NL:CRVB:2015:2849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Aanvraag Bbz-uitkering buiten behandeling gesteld wegens ontbreken nieuwe zelfstandige onderneming
Appellant, een eenmanszaak actief in catering en invalwerk, vroeg op 2 mei 2012 een Bbz-uitkering aan voor levensonderhoud en bedrijfskrediet. Het college stelde de aanvraag op 3 augustus 2012 buiten behandeling omdat er geen concrete plannen waren voor het starten van een zelfstandige onderneming.
Appellant maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van actueel belang. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college ook had moeten toetsen of hij voor een WWB-uitkering in aanmerking kwam, omdat de communicatie niet optimaal was.
De Raad oordeelde dat voor elke specifieke uitkering een afzonderlijke aanvraag vereist is en dat het college niet verplicht was de Bbz-aanvraag om te zetten in een WWB-aanvraag. Appellant was gewezen op de mogelijkheid zelf een WWB-aanvraag in te dienen, maar heeft daarvan afgezien.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de Bbz-aanvraag niet hoefde te behandelen als WWB-aanvraag en wijst het hoger beroep af.