ECLI:NL:CRVB:2007:BB5522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- K. Zeilemaker
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsverlening met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant werd met ingang van 1 januari 2004 werkloos en vroeg op 14 januari 2004 een WW-uitkering aan, die op 9 maart 2004 werd afgewezen. Vervolgens vroeg hij op 30 maart 2004 bijstand aan met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004. Het College van burgemeester en wethouders van Gouda kende bijstand toe vanaf 30 maart 2004, maar weigerde terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het Collegebesluit van 14 juni 2005 gegrond wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant ging in hoger beroep tegen de vaststelling van de ingangsdatum van de bijstand.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet wordt verleend vóór de datum van aanvraag of melding bij het CWI, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden was geen sprake. Het beleid van het College, waarbij binnen 8 dagen na afwijzing WW-aanvraag een bijzondere omstandigheid kan gelden, werd als buitenwettelijk begunstigend beleid aangemerkt en consistent toegepast.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstandsverlening met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.