ECLI:NL:CRVB:2015:2836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake ingangsdatum WAO-uitkering en bijzonder geval
Betrokkene meldde zich op 2 augustus 1999 wegens psychische klachten ziek, maar vroeg pas op 10 mei 2006 een WAO-uitkering aan. De appellant kende de uitkering toe met ingang van 12 mei 2005 vanwege een te late aanvraag. De rechtbank oordeelde dat appellant in strijd met artikel 34, tweede lid, WAO betrokkene niet tijdig had geïnformeerd over de aanvraagmogelijkheid, waardoor sprake was van een bijzonder geval en de uitkering per 1 augustus 2000 moest ingaan.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de ziekmelding eerder bij het UWV bekend was en dat onvoldoende bewijs was geleverd voor een bijzonder geval. Betrokkene steunde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat uit de stukken niet blijkt dat de ziekmelding bij het UWV bekend was en dat betrokkene in de periode 2000-2006 buiten beeld bleef. Het enkele niet naleven van artikel 34, tweede lid, WAO leidt niet automatisch tot een bijzonder geval.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad vernietigt de uitspraak en bestreden besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand.