ECLI:NL:CRVB:2015:2798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gemeentelijke toeslag van 10% bij gedeelde woonkosten met moeder
Appellante, een alleenstaande ouder, woont samen met haar dochter en sinds januari 2013 ook haar moeder, die een verblijfsvergunning heeft en arbeid mag verrichten in Nederland. Appellante vroeg bijstand aan volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Het college verleende bijstand met een toeslag van 10%, omdat appellante de noodzakelijke kosten van het bestaan deelt met haar moeder.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat de moeder het hoofdverblijf deelt en redelijkerwijs over inkomsten uit arbeid of een bijstandsuitkering kan beschikken. Appellante stelde dat de toeslag 20% moest zijn omdat haar moeder geen inkomen heeft en geen bijstand wil aanvragen uit angst voor gevolgen voor haar verblijfsrecht.
De Raad overwoog dat het relevant is of de moeder redelijkerwijs over inkomsten kan beschikken, niet of zij daadwerkelijk inkomsten heeft. Appellante maakte niet aannemelijk dat dit niet het geval is en gaf geen inzicht in het vermogen van haar moeder. Ook was er geen reden voor een hardheidsclausule. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toeslag van 10% blijft van toepassing.