ECLI:NL:CRVB:2015:2688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bijstandsaanvraag
Appellante diende op 7 juli 2011 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag nam de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde stukken. Na bezwaar werd het besluit herroepen en de aanvraag alsnog in behandeling genomen.
Appellante stelde het college op 17 februari 2012 formeel in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Het college stelde dat tijdig op 31 augustus 2011 een beslissing was genomen, wat de Raad onjuist achtte. Het college nam pas op 29 mei 2012 een besluit op de aanvraag, waarmee het de maximale dwangsom van €1.260,- had verbeurd.
De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 12 februari 2013 ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het bestreden besluit. De Raad stelt de dwangsom vast op €1.260,- en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: Het college is een dwangsom van €1.260,- verschuldigd wegens niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag.