ECLI:NL:CRVB:2015:2673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens voldoende medische grondslag en geschiktheid voor arbeid
Appellante viel sinds november 2007 uit wegens rug- en psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Na een heronderzoek in december 2012 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar uitkering werd ingetrokken. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante ongeschikt was voor haar eigen werk, maar wel geschikt voor andere functies binnen haar beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische grondslag van het besluit deugdelijk was gemotiveerd. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) rekening is gehouden met de psychische belastbaarheid van appellante.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkt was dan aangenomen en dat ten onrechte van een verbetering werd uitgegaan. De Raad stelt vast dat deze gronden reeds door de rechtbank zijn beoordeeld en verworpen. Ook is geen nieuw objectief medisch bewijs ingebracht. De Raad bevestigt dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WIA-uitkering bevestigd.