Uitspraak
OVERWEGINGEN
- Op 16 december 1991 heeft u zich ziek gemeld
- Met de brief van 1 april 1992 delen wij u mee dat u niet arbeidsongeschikt bent
- In april 1992 bent u naar Marokko vertrokken
- Op 17 juli 1992 heeft u zich bij de CNSS gemeld
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft ruim twintig jaar na zijn ziekmelding in 1991 een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering. Het UWV stelde de aanvraag buiten behandeling vanwege het ontbreken van onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid, mede gebaseerd op een hersteldverklaring uit 1992. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellant dat hij nog steeds ziek is en volledig arbeidsongeschikt, en dat het UWV ten onrechte geen medisch onderzoek heeft verricht. De Raad stelt vast dat bij late aanvragen het UWV niet kan worden verweten dat de gebruikelijke onderzoeksmethoden niet meer toepasbaar zijn, maar benadrukt dat de beoordeling van de wachttijd een zelfstandige en volledige beoordeling vereist.
De Raad constateert dat het UWV zich uitsluitend heeft gebaseerd op de hersteldverklaring en geen zelfstandige beoordeling van de wachttijd heeft gemaakt, wat een gebrek vormt in het bestreden besluit. Daarom draagt de Raad het UWV op dit gebrek binnen zes weken te herstellen. Ten aanzien van de melding bij de CNSS in 1992 is geen aanleiding voor een uitkering, omdat appellant toen niet meer verzekerd was onder de Nederlandse wetgeving.
De uitspraak is een tussenuitspraak die het UWV verplicht tot een nieuwe, deugdelijke motivering van het besluit over de WAO-uitkering.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in de motivering van het bestreden besluit binnen zes weken te herstellen.