ECLI:NL:CRVB:2015:2621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- S. Hindriks-Roose
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand wegens onvoldoende bewijs bijstandbehoevendheid
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan dat hij eerder inkomsten had uit werkzaamheden in de hennepteelt, maar leefde de laatste maanden van geld van zijn moeder. Het college weigerde bijstand omdat appellant onvoldoende bewijs leverde over de herkomst van contante stortingen en zijn inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en leverde aanvullende stukken, waaronder belastingaanslagen en een verklaring over zijn werkzaamheden en inkomsten. Desondanks bleef onduidelijkheid bestaan over zijn financiële situatie, vooral over het verschil tussen kasstortingen en opgegeven inkomsten aan de Belastingdienst.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht en onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn inkomsten in de relevante periode. Ook de latere toekenning van bijstand aan appellant na 30 mei 2013, waarbij geen kasstortingen meer werden aangetroffen, kon niet leiden tot een andere conclusie over de periode van de aanvraag.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.