ECLI:NL:CRVB:2015:2612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet opgegeven inkomsten
Appellante ontving bijstand vanaf oktober 2012 als aanvulling op een WW-uitkering. Tijdens een onderzoek naar de rechtmatigheid van deze bijstand verklaarde zij dat zij van een vriend, een getrouwde man met een eigen verzekeringsbedrijf, wekelijks €100 contant ontving, zogenaamd voor eten en drinken, maar feitelijk voor seksuele diensten. Dit leidde tot een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat haar verklaring onjuist was en dat niet uitsluitend op haar verklaring mocht worden afgegaan.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak de verklaring van een betrokkene tegenover een handhavingsspecialist als betrouwbaar mag worden beschouwd, tenzij aannemelijk is gemaakt dat deze onder dwang of onvrijwillig is afgelegd. Appellante had haar verklaring bevestigd, getekend en geen bewijs geleverd dat zij onder druk stond. Ook had zij geen aanvullende verklaring van de genoemde vriend overgelegd. De verklaring was concreet en niet tegenstrijdig, zodat de intrekking van de bijstand terecht was.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege onvoldoende aannemelijkheid van het betoog van appellante.