In deze zaak staat het oordeel van de rechtbank over het door het UWV genomen besluit omtrent de WIA-uitkering van appellant centraal. Het UWV had vastgesteld dat appellant recht had op een WGA-uitkering wegens 47% arbeidsongeschiktheid vanaf 30 juni 2011. Appellant was het niet eens met deze beslissing en stelde beroep in, waarbij hij tevens klachten uitte over zijn werkgever en de behandeling van zijn ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat er geen schending van de hoorplicht was en dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van schending van de hoorplicht en dat zijn meldingen over integriteitsschendingen door zijn werkgever onvoldoende werden behandeld.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op het UWV-besluit en niet op arbeidsrechtelijke aspecten zoals het ontslag. Hoewel de Raad erkent dat de hoorplicht is geschonden, concludeert zij dat appellant hierdoor niet is geschaad omdat hij in de procedure zijn standpunten heeft kunnen toelichten. Wel veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Dit betekent dat de beslissing van het UWV over de WIA-uitkering in stand blijft, ondanks het formele gebrek in de procedure.