ECLI:NL:CRVB:2015:2540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op Wajong-uitkering bij niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante diende op 1 juni 2011 een aanvraag in voor arbeids- en inkomensvoorziening op grond van de Wet Wajong, waarbij zij toen niet als arbeidsongeschikt werd erkend. Na toename van klachten vroeg zij op 3 september 2012 opnieuw een uitkering aan. Het UWV kende haar een uitkering toe met ingang van 24 december 2012, maar appellante maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV de ingangsdatum juist had vastgesteld.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, onderbouwd met medische rapporten en verklaringen van GGz Breburg en huisartsen. Het geschil spitste zich toe op de vraag of zij duurzaam arbeidsongeschikt was op de datum van aanvraag.
De Raad oordeelde dat duurzame arbeidsongeschiktheid een medisch stabiele of verslechterende situatie vergt, wat bij appellante niet het geval was. Uit medische rapporten bleek dat haar toestand door behandeling nog kon verbeteren en dat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Daarom was het recht op uitkering terecht vastgesteld op 16 weken na de aanvraagdatum.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de Wajong-uitkering blijft vastgesteld op zestien weken na de aanvraag.