Appellante had vanaf 15 december 2011 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. Het UWV heeft deze uitkering per 1 oktober 2012 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling stelde het UWV bij besluit van 29 augustus 2012 vast dat appellante vanaf 30 oktober 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op uitkering verviel. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd bij besluit van 17 december 2012 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen geen relevante aspecten hadden gemist. Ook het door appellante overgelegde rapport van een registerpsycholoog werd niet relevant geacht omdat het niet op de juiste datum zag en voor een ander doel was opgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar niet zelf had onderzocht en dat het rapport van de psycholoog Achterveld doorslaggevend had moeten zijn. Tevens verzocht zij om een onafhankelijk onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep grotendeels een herhaling was van eerdere standpunten en bevestigde dat het onderzoek zorgvuldig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had alle relevante medische stukken bestudeerd en onderschreef de eerdere conclusies. Het rapport van Achterveld was niet relevant voor de datum in geschil. De voorbeeldfuncties waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren medisch geschikt, op één functie na, maar er waren voldoende andere functies over. Het UWV had terecht vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was vanaf 30 oktober 2012. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.