Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:2478

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2015
Publicatiedatum
27 juli 2015
Zaaknummer
13-5647 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante had vanaf 15 december 2011 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. Het UWV heeft deze uitkering per 1 oktober 2012 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling stelde het UWV bij besluit van 29 augustus 2012 vast dat appellante vanaf 30 oktober 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op uitkering verviel. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd bij besluit van 17 december 2012 ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen geen relevante aspecten hadden gemist. Ook het door appellante overgelegde rapport van een registerpsycholoog werd niet relevant geacht omdat het niet op de juiste datum zag en voor een ander doel was opgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar niet zelf had onderzocht en dat het rapport van de psycholoog Achterveld doorslaggevend had moeten zijn. Tevens verzocht zij om een onafhankelijk onderzoek.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep grotendeels een herhaling was van eerdere standpunten en bevestigde dat het onderzoek zorgvuldig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had alle relevante medische stukken bestudeerd en onderschreef de eerdere conclusies. Het rapport van Achterveld was niet relevant voor de datum in geschil. De voorbeeldfuncties waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren medisch geschikt, op één functie na, maar er waren voldoende andere functies over. Het UWV had terecht vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was vanaf 30 oktober 2012. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd, waarbij het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

13/5647 WIA
Datum uitspraak: 17 juli 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
10 september 2013, 13/776 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante had vanaf 15 december 2011 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het percentage van haar arbeidsongeschiktheid was 100. Bij besluit van 16 juli 2012 is die loongerelateerde uitkering per 1 oktober 2012 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 29 augustus 2012 vastgesteld dat appellante vanaf 30 oktober 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA meer heeft, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 17 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig te achten. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist dan wel onjuist in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 mei 2012 hebben vertaald. De rechtbank volgt voorts de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn conclusie dat het nader door appellante overgelegde rapport van de registerpsycholoog W.J. Achterveld niet ziet op de datum in geding. Dat rapport is daarnaast opgemaakt voor een ander doel dan een beoordeling in het kader van de Wet WIA. Er bestaat dan ook geen reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de daaruit getrokken conclusies. De rechtbank komt ten slotte tot de conclusie dat appellante, gelet op de bij haar vastgestelde belastbaarheid zoals verwoord in de FML, op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht de voorgehouden functies - gelet op de daarin voorkomende belasting - te vervullen.
3. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet zelf heeft onderzocht. Gegeven het rapport van de door het Uwv ingeschakelde psychiater J.H.M. van Laarhoven en het rapport van de verzekeringsarts lijkt het er op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn oordeel reeds had gevormd. Voorts had aan het door appellante overgelegde rapport van Achterveld doorslaggevende betekenis moeten worden toegekend. Weliswaar is dat rapport opgemaakt met een ander doel dan een beoordeling in het kader van de Wet WIA, doch op grond van dat rapport is de gemeente Epe van mening dat appellante gelet op haar beperkingen niet beschikbaar is voor voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het Uwv concludeert daarentegen dat appellante ongeschoolde arbeid kan verrichten. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om een nader onafhankelijk onderzoek heeft afgewezen. Zij verzoekt thans de Raad een dergelijk onderzoek te gelasten. Ten slotte stelt appellante zich op het standpunt dat de voorgehouden functies haar belastbaarheid te boven gaan.
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard.
5.2.
Terecht is de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Anders dan appellante stelt, maakt het enkele feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden heeft gezien appellante zelf te onderzoeken het onderzoek nog niet onzorgvuldig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had blijkens zijn rapport van 11 december 2012 bij zijn onderzoek de beschikking over alle voorhanden medische gedingstukken waaronder een zeer uitgebreid rapport van de verzekeringsarts van 22 mei 2012, mede gebaseerd op eigen onderzoek, informatie van de curatieve sector en een op verzoek van het Uwv door Van Laarhoven uitgebracht rapport. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 11 december 2012 na dossierstudie de conclusie van de verzekeringsarts. Hij wijst er in zijn rapport van 11 december 2012 terecht op dat ook de behandelend psychiater blijkens zijn brief van 11 november 2012 van mening is dat duidelijkere behandeldoelen moeten worden gesteld vooral gericht op activatie. Wat betreft het door appellante overgelegde - op verzoek van de gemeente Epe - uitgebrachte rapport van Achterveld volgt de rechtbank terecht de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van
9 augustus 2013 gegeven reactie dat bedoeld rapport van Achterveld - anders dan het rapport van Van Laarhoven - is opgemaakt voor een ander doel dan een beoordeling in het kader van de Wet WIA en naar zijn inhoud evenmin ziet op de datum hier in geding, te weten
30 oktober 2012. Er bestaat derhalve geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de FML van 22 mei 2012 in voldoende mate rekening is gehouden met de als gevolg van de fysieke en psychische klachten van appellante bij haar op de datum in geding bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige heeft de rechtbank - gegeven de voorhanden zijnde medische stukken - dan ook terecht geen reden gezien. Ook de Raad ziet daarvoor geen aanleiding.
5.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de voorbeeldfuncties die door de arbeidsdeskundige van het Uwv in zijn rapport van 19 juli 2012 aan de schatting ten grondslag zijn gelegd ook in medisch opzicht geschikt voor appellante. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd een nadere reactie van de arbeidskundige bezwaar en beroep ingezonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functie Inpakker
(SBC-code 111190) - wegens het in die functie voorkomende hoge handelingstempo - alsnog ongeschikt geacht. Er resteren echter nog voldoende functies om de schatting op te baseren. De arbeidsdeskundige heeft in zijn reactie tevens nader inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de belasting in de resterende functies ook in het licht van de daarbij vermelde signaleringen de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
5.4.
Het uit de voorgehouden voorbeeldfuncties voortvloeiende verdienvermogen afgezet tegen het inkomen dat appellante in de maatmanarbeid zou hebben verdiend als zij daarvoor niet arbeidsongeschikt was geworden leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat appellante vanaf 30 oktober 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA meer had.
6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
7. Nu eerst in hoger beroep het bestreden besluit is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 472,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, totaal € 1.416,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 163,- vergoedt;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.416,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
J.R. van Ravestein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) J.R. van Ravenstein

AP