ECLI:NL:CRVB:2015:2472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J. Riphagen
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte haar arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op minder dan 35%, waardoor zij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Zij voerde aan dat haar psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen, waaronder een psychische aandoening, ernstige rugklachten, een verleden met geelzucht en medicatiegebruik die haar concentratievermogen beïnvloedt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd was. De verzekeringsarts mocht in beginsel op eigen oordeel varen en had geen aanleiding om aanvullende informatie van behandelaars op te vragen, omdat reeds relevante medische gegevens in het dossier aanwezig waren en er geen aanwijzingen waren voor afwijkende medische standpunten.
Verder concludeerde de Raad dat de beperkingen van appellante adequaat waren verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch passend waren. De door appellante overgelegde medische stukken boden onvoldoende grond om het oordeel van het UWV te weerleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.