ECLI:NL:CRVB:2015:2406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-chtgenoot
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college vermoedde op basis van onderzoek dat zij en haar ex-chtgenoot A een gezamenlijke huishouding voerden. Uit verklaringen van beide partijen en uitgebreid dossieronderzoek bleek dat zij vanaf 1 januari 2001 tot en met 2012 hun hoofdverblijf deelden.
Het college trok daarop de bijstand met ingang van 1 januari 2001 in wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en A betrouwbaar waren en dat geen sprake was van onaanvaardbare druk of geheugenproblemen. Ook uitzonderingen zoals tijdelijke verblijven elders deden niet af aan het hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
Daarmee had appellante geen recht op bijstand als alleenstaande en was het college bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding.