ECLI:NL:CRVB:2015:2355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant ontving bijstand als alleenstaande met toeslag en stond ingeschreven op een adres te Amsterdam. Na melding van een gewijzigde woonsituatie waarbij een familielid, P, bij appellant was ingetrokken, stelde de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek in. Dit leidde tot intrekking van de bijstand per 3 september 2012 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant dit, onder meer met het argument dat de verklaringen onjuist waren opgetekend en dat er sprake was van een slechte relatie met handhavingsmedewerker D.
De Raad oordeelde dat appellant en P hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg, zoals blijkt uit gezamenlijke huishoudelijke taken, ondersteuning bij gezondheidsklachten en financiële afspraken. De verklaringen van appellant en P waren gedetailleerd en ondertekend onder ambtseed, waardoor deze betrouwbaar zijn. De stelling van appellant dat er sprake zou zijn van wrok van de handhavingsmedewerker werd niet onderbouwd.
Gelet op deze feiten concludeerde de Raad dat de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding waren vervuld en dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet te melden. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van inlichtingenverplichting wordt bevestigd.