ECLI:NL:CRVB:2015:2311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens gemeenteraadslidmaatschap
Appellant ontvangt sinds 1992 een WAO-uitkering en heeft vanaf 1996 inkomsten uit zijn lidmaatschap van de gemeenteraad. Het UWV heeft in 2011 de WAO-uitkering herzien op grond van artikel 44 van Pro de WAO, waarbij het inkomen uit het raadslidmaatschap werd betrokken, wat leidde tot een lagere uitkering en terugvordering van onverschuldigde betalingen.
Appellant betoogde dat bepaalde vergoedingen, waaronder een forfaitaire onkostenvergoeding en een werkgeversbijdrage voor een aanvullende ziektekostenverzekering, niet als inkomsten uit arbeid mogen worden aangemerkt en dat hij transparant was over zijn inkomsten. De rechtbank wees zijn beroep af en bevestigde de herziening.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat alleen daadwerkelijke onkostenvergoedingen niet als inkomen tellen, terwijl de werkgeversbijdrage voor de ziektekostenverzekering niet in verband staat met het raadslidmaatschap en dus wel meetelt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant niet volledig was geweest over zijn inkomsten.
De Raad bevestigde de berekening van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid en het bijbehorende uitkeringspercentage. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Dordrecht bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.