ECLI:NL:CRVB:2015:2294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Bij een politie-inval op 3 december 2010 werd een hennepkwekerij met 108 planten aangetroffen in haar garage, wat leidde tot een onderzoek naar haar recht op bijstand. Het college trok de bijstand over de periode 30 juli 2010 tot 3 december 2010 in en vorderde € 5.468,46 terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellante ging in hoger beroep. Zij stelde dat zij slechts katvanger was en eenmalig € 2.000,- had ontvangen, en dat zij daarom geen uitgebreide administratie hoefde te voeren. De Raad oordeelde dat appellante niet met objectieve gegevens kon aantonen dat zij niet de exploitant was en dat haar verklaring onvoldoende was. De Raad wees erop dat het oordeel van de politierechter en de Belastingdienst niet bindend is voor de bestuursrechter.
Omdat appellante geen deugdelijke administratie had bijgehouden, kon niet worden vastgesteld of zij recht had op bijstand. Het college had het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet als grondslag gebruikt voor intrekking, waardoor dat verweer faalde. De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en kosten terug te vorderen en zag geen reden om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd omdat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en geen deugdelijke administratie heeft gevoerd.