Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden onderzocht in het kader van een pilot gericht op vermogen in het buitenland. Het college stelde een risicoprofiel op en liet een onderzoek uitvoeren naar bezit van onroerend goed in Turkije, waaruit bleek dat appellanten eigenaar waren van twee woningen met een waarde van €62.000, boven de vermogensgrens van €11.370.
Het college trok de bijstand in en de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees een aanvraag voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen af. Appellanten voerden aan dat het onderzoek onrechtmatig was, onder meer vanwege vermeende discriminatie en onjuiste toepassing van bevoegdheden.
De Raad oordeelde dat het gebruik van het risicoprofiel en het onderzoek door het Internationaal Bureau Fraude (IBF) niet in strijd was met het verbod op discriminatie en dat het IBF als onderdeel van het UWV bevoegd was om het onderzoek uit te voeren. Daarnaast mocht de Svb het besluit baseren op door appellanten zelf verstrekte gegevens en het besluit van het college.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en wees de beroepen van appellanten af. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.