ECLI:NL:CRVB:2015:2194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin haar beroep tegen de weigering van een WIA-uitkering ongegrond werd verklaard. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening waarbij het UWV werd veroordeeld tot betaling van een voorschot op de WIA-uitkering.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of sprake was van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang, vooral in financieel opzicht. Verzoekster stelde dat zij sinds december 2013 geen inkomsten meer uit werk heeft, haar spaargeld heeft verbruikt en dat haar maandelijkse inkomsten lager zijn dan haar vaste lasten. Tevens zou zij geconfronteerd worden met naheffingsaanslagen van meer dan € 8.500.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het spoedeisend belang voldoende is. Indien de huurtoeslag wordt toegekend, ligt haar inkomen boven de bijstandsnorm. Zonder toeslag ligt het inkomen slechts € 90 onder die norm, wat onvoldoende is voor een noodsituatie. Ook het bestaan van naheffingsaanslagen leidt niet tot een andere conclusie, mede omdat een betalingsregeling mogelijk is.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.