ECLI:NL:CRVB:2015:2171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 11 mei 2010 arbeidsongeschikt en ontving een uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde op 8 mei 2012 vast dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Vervolgens meldde appellant zich op 12 maart 2013 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Op 22 mei 2013 onderzocht een verzekeringsarts appellant en concludeerde dat hij geschikt was voor de eerder beoordeelde functies, waarna het UWV het recht op ziekengeld per 23 mei 2013 beëindigde.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn ziektebeeld was verslechterd met aangezichtspijnen en psychische klachten, onderbouwd met medische verklaringen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voerde een nieuw onderzoek uit en concludeerde dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden waren die het eerdere oordeel veranderden. De klachten waren psychosomatisch en al bekend bij de eerdere beoordeling. De Raad oordeelde dat de medische gegevens in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten boden en dat het standpunt van de verzekeringsarts inzichtelijk en gemotiveerd was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV om de Ziektewet-uitkering te beëindigen per 23 mei 2013. Er was geen aanleiding voor toewijzing van het beroep of veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 23 mei 2013 wordt bevestigd.