ECLI:NL:CRVB:2015:2124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijkheid woonplaats
Appellant ontving bijstand van augustus 2011 tot juli 2012, waarbij het college twijfelde aan zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Na onderzoek trok het college de bijstand in en vorderde het de kosten terug, stellende dat appellant niet in de gemeente woonde waar hij bijstand ontving.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd. Het bankafschriftonderzoek en getuigenverklaring boden geen sluitend bewijs dat appellant niet in de gemeente woonde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit tot intrekking en terugvordering, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende en concreet bewijs bij intrekking van bijstand op grond van woonplaats.
De Raad concludeert dat de onderzoeksresultaten onvoldoende zijn om de intrekking en terugvordering te rechtvaardigen, waardoor het beroep van appellant gegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.