ECLI:NL:CRVB:2015:2094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen per 28 mei 2013. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet onderschat waren. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) beperkte haar arbeidsuren tot gemiddeld 4 uur per dag en 20 uur per week, en de geselecteerde functies waren passend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beperkingen zwaarder moesten worden aangenomen, met name op het gebied van duurbelasting, zitten, staan en houding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een nieuwe FML op met aangescherpte beperkingen, waaronder maximaal vier uur staan per dag en een beperking in het omhoog kijken. De arbeidskundige bezwaar en beroep concludeerde dat de geselecteerde functies nog steeds passend waren.
De Raad oordeelde dat de nieuwe FML voldoende beperkingen bevatte en dat appellante geen medische gegevens had ingebracht die zwaardere beperkingen rechtvaardigden. De arbeidskundige rapporten motiveerden uitvoerig dat appellante de functies kon vervullen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op € 2.695,-.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.