ECLI:NL:CRVB:2015:2072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Gelijkstelling diensttijd in Duits lager onderwijs voor BBWO-uitkering
Appellante was tot 1 augustus 2011 werkzaam als groepsleerkracht en ontving een aanvullende werkloosheidsuitkering op grond van het BBWO. De minister had echter besloten geen rekening te houden met de periodes waarin zij werkte voor een school in Duitsland bij de vaststelling van haar diensttijd voor de aansluitende uitkering.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep heeft dit vernietigd. De Raad stelde vast dat de Duitse school een vorm van lager onderwijs betreft die vergelijkbaar is met het Nederlandse basisonderwijs en dat deze school uit openbare middelen wordt bekostigd.
Op grond van artikel 5, onder b, van Verordening 883/2004 moet een lidstaat rekening houden met soortgelijke feiten in andere lidstaten die rechtsgevolgen verbinden aan die feiten. De Raad concludeerde dat de periode van werkzaamheden in Duitsland als een soortgelijk feit moet worden aangemerkt en dus gelijkgesteld moet worden met diensttijd in Nederland.
De minister wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante en wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit en bepaalt dat de Duitse diensttijd gelijkgesteld moet worden met Nederlandse diensttijd voor BBWO-uitkering.