ECLI:NL:CRVB:2015:2022

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2015
Publicatiedatum
24 juni 2015
Zaaknummer
13-5353 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbAlgemene KinderbijslagwetKoppelingswet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken verblijfsvergunning

Appellant vordert kinderbijslag over de kwartalen van het vierde kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal 1999. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft met een brief van 24 juli 2012 laten weten dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag over deze periode, omdat het recht niet kan worden vastgesteld over een periode langer dan vijf jaar geleden. Dit werd bevestigd in een beslissing op bezwaar van 29 augustus 2012, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de brief van 24 juli 2012 niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt. In hoger beroep stelt appellant dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege zijn individuele situatie, maar dit wordt verworpen omdat reeds in het besluit van 6 december 2001 is vastgesteld dat appellant geen recht had op kinderbijslag wegens het ontbreken van een relevante verblijfsvergunning.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 24 juli 2012 een herhaald besluit is waartegen geen bezwaar mogelijk is, en dat het eerdere besluit van 6 december 2001 bindend is. Bovendien blijkt uit de stukken dat appellant in de relevante periode niet beschikte over een verblijfsvergunning en niet in procedure was om deze te verkrijgen, waardoor de Koppelingswet van toepassing is en hij niet verzekerd was voor de AKW. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag wordt bevestigd.

Uitspraak

13/5353 AKW
Datum uitspraak: 24 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 augustus 2013, 12/4934 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Aksözek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een reactie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1. Het geding betreft een mogelijk recht van appellant op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over de periode van het vierde kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal van 1999. Met een besluit van 24 juli 2012 heeft de Svb, voor zover van belang, appellant laten weten dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over de kwartalen in geding. Hieraan lag ten grondslag dat het recht op kinderbijslag niet kan worden vastgesteld over een periode langer dan vijf jaar geleden. In de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Svb is bij nader inzien van mening dat de brief van 24 juli 2012 aangemerkt dient te worden als een herhaald besluit waartegen geen bezwaar gemaakt kan worden. Volgens de Svb is er over de kwartalen in geding al een besluit genomen op 6 december 2001 en 11 november 2009.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, nu de brief van 24 juli 2012 niet aangemerkt kan worden als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.
In hoger beroep stelt appellant dat uit de rechtspraak van de Raad volgt dat definitieve besluiten getoetst kunnen worden op mogelijke strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Op grond van zijn individuele situatie wat betreft verblijfsvergunning en inkomen had de Svb de hardheidsclausule dienen toe te passen, volgens appellant.
3.2.
Appellant kan hierin niet worden gevolgd. Terecht heeft de Svb vastgesteld dat in ieder geval in het besluit van 6 december 2001 is vastgesteld dat appellant geen recht op kinderbijslag heeft over de kwartalen in geding, omdat hij destijds niet beschikte over een van belang zijnde verblijfsvergunning. Uit de brief van 24 juli 2012 vloeien geen andere rechtsgevolgen voort dan al zijn voortgevloeid uit het besluit van 6 december 2012. Tegen de brief van 24 juli 2012 kunnen dan ook geen rechtsmiddelen aangewend worden.
3.3.
De rechtspraak waarnaar appellant heeft verwezen, heeft betrekking op een besluit, genomen naar aanleiding van een verzoek aan een bestuursorgaan om een rechtens onaantastbaar besluit te herzien. Daarvan is in dit geding geen sprake. Weliswaar heeft de Svb op 24 juli 2012 ook een besluit genomen waarin appellant is meegedeeld dat het verzoek de eerdere besluiten op het recht op kinderbijslag over de kwartalen in geding te herzien is afgewezen, maar tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Dit besluit staat dan ook niet ter beoordeling.
3.4.
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat uit de gedingstukken blijkt dat de kinderbijslag voor het derde kwartaal van 1998 al aan appellant is uitbetaald, zodat dit kwartaal buiten de beoordeling valt. En ook blijkt uit de gedingstukken dat appellant in de peildata van het vierde kwartaal van 1998 tot en met het vierde kwartaal van 1999 niet over een verblijfsvergunning beschikte en evenmin in procedure was om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Dit betekent dat, voor zover nu bekend, de zogeheten Koppelingswet onverkort op appellant van toepassing was en hij dus niet verzekerd was voor de AKW.
4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H.J. Dekker

HD