Uitspraak
30 april 2014, 13/4665 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
31 juli 2013 kennelijk ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Na een uitspraak van de geschillencommissie Advocatuur leidde dit tot executoriaal beslag op zijn uitkering. Het UWV hield vanaf 1 augustus 2013 een bedrag in verband met dit beslag.
Appellant maakte bezwaar tegen deze betalingsbeslissing en stelde dat de beslaglegging onrechtmatig was omdat de juiste procedures niet waren gevolgd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is de geldigheid van het beslag te toetsen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat de bestuursrechter de procedurele rechtmatigheid van het beslag moet kunnen beoordelen. De Raad overwoog echter dat de toetsing beperkt is tot de vraag of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven bij de betalingsbeslissing.
De Raad concludeerde dat het UWV het beslag mocht uitvoeren zoals gedaan en dat de Raad zelf geen bevoegdheid heeft om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.