Uitspraak
F.M.J. Eijmael.
Centrale Raad van Beroep
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij haar Ziektewetuitkering is beëindigd omdat zij weer geschikt wordt geacht voor haar werkzaamheden. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om de betaling van de uitkering te hervatten, stellende dat zij zonder inkomen haar vaste lasten niet kan betalen en haar kinderen financieel worden benadeeld.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld dat het spoedeisend belang in financieel opzicht ontbreekt. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd waarom zij geen aanspraak kan maken op andere uitkeringen, zoals de Participatiewet, en heeft haar stellingen niet met stukken ondersteund. Daarnaast is niet gebleken van een ander zwaarwegend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is de bodemprocedure afgewacht. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend financieel belang.