ECLI:NL:CRVB:2015:1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant was tot augustus 2009 werkzaam als docent metaalinstructie en ontving daarna een WW-uitkering. In augustus 2012 meldde hij zich ziek met huid- en vermoeidheidsklachten en psychische problemen. Het UWV stelde na onderzoek op 14 september 2012 vast dat appellant vanaf 17 september 2012 weer arbeidsgeschikt was en beëindigde de Ziektewetuitkering. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en het rapport van Instituut Psychosofia niet werd erkend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat de arts geen verzekeringsarts was en het rapport van Psychosofia onterecht terzijde werd gelegd. Tevens stelde hij dat de beperkingen ernstiger waren dan aangenomen. Het UWV verzocht bevestiging van de uitspraak.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek conform het protocol was uitgevoerd en dat de rapportages van verzekeringsartsen bijzondere waarde hebben, tenzij appellant aannemelijk maakt dat deze onzorgvuldig zijn of onjuist. Dit was niet het geval. Het rapport van Psychosofia bracht geen twijfel over de arbeidsbeperkingen. Ook was het ontslag niet gerelateerd aan functioneren. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Vergoeding van proceskosten en schade werd geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.