ECLI:NL:CRVB:2015:1907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet-melding van inkomsten en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1996 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding van de politie werd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellant inkomsten had uit de verkoop van spullen op rommelmarkten, geld ontving van familieleden en onbetaalde werkzaamheden verrichtte voor zijn stiefzoon en diens stukadoorsbedrijf. Deze inkomsten en werkzaamheden had appellant niet gemeld aan het college, waarmee hij zijn inlichtingenverplichting schond.
Het college besloot de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 16 januari 2010 in te trekken wegens deze schending. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich niet had verrijkt en dat zijn moeilijke financiële situatie onvoldoende was meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond vormt voor intrekking van de bijstand indien niet kan worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand. Omdat appellant geen deugdelijke administratie had bijgehouden en de inkomsten oncontroleerbaar waren, was het college bevoegd de bijstand in te trekken. De persoonlijke omstandigheden van appellant rechtvaardigden geen ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.