ECLI:NL:CRVB:2015:1882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
15 juni 2015
Zaaknummer
14-1354 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk na intrekking besluit AOW-toeslagkorting en boete

Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin een korting op de AOW-toeslag werd toegepast vanwege een afkoopsom pensioen van zijn partner, en waarbij tevens een boete werd opgelegd. Na een tussenuitspraak van de Raad op 19 december 2014 heeft de Svb op 17 februari 2015 een nieuw besluit genomen waarin zij het bezwaar van appellant gegrond verklaarde, het eerdere besluit introk en afzag van terugvordering en boete.

Appellant bevestigde in een brief van 15 april 2015 dat zijn oorspronkelijk bezwaar hiermee was gehonoreerd, hoewel hij de toegekende kostenvergoeding aan de lage kant vond. De Raad concludeerde dat appellant hierdoor geen belang meer had bij verdere behandeling van het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk.

De Raad veroordeelde de Svb wel tot vergoeding van de proceskosten van appellant in zowel beroep als hoger beroep, begroot op respectievelijk € 980 en € 1.225, en bepaalde dat de reeds betaalde griffierechten van € 166 aan appellant worden vergoed. De uitspraak werd gedaan door T.L. de Vries op 12 juni 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard nadat het bezwaar van appellant door de Svb was gehonoreerd.

Uitspraak

14/1354 AOW
Datum uitspraak: 12 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 januari 2014, 13/1765 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4150, een tussenuitspraak gedaan.
Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft de Svb op 17 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. In dat besluit is het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van
13 mei 2013 ingetrokken.
Namens appellant heeft P. Jentjens, desgevraagd, op 15 april 2015 een zienswijze ingestuurd over dit nieuwe besluit.
De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 19 december 2014 voor de feiten waarvan wordt uitgegaan bij de oordeelvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
1.2.
Met het besluit van 17 februari 2015 heeft de Svb appellant laten weten dat de afkoopsom pensioen van de partner van appellant niet zal worden gekort op de AOW-toeslag van appellant en dat de terugvordering van de te veel betaalde toeslag en de oplegging van een boete niet wordt gehandhaafd.
1.3.
Namens appellant is in de brief van 15 april 2015 gemeld dat aan zijn oorspronkelijk bezwaar tegemoet is gekomen. Wel laat hij weten de in het nieuwe besluit toegekende kostenvergoeding aan de lage kant te vinden.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Uit het voorgaande volgt dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden.
3. Nu in het besluit van 17 februari 2015 door de Svb reeds een vergoeding van kosten in bezwaar is toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bestaat nog aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.205;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in
totaal € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) P. Boer
ew