Uitspraak
16 april 2013, 13/137 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante is sinds 1 april 2010 wegens rug- en duizeligheidsklachten gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV stelde bij besluit van 1 februari 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bij bezwaar en vervolgens bij de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen en medicatie-effecten onvoldoende waren meegewogen en dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen. Zij overlegde nadere medische stukken. De Raad oordeelde dat de medische onderbouwing van het UWV zorgvuldig en juist was, en dat de aanvullende stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellante met inachtneming van haar beperkingen kan uitvoeren.
De Raad concludeert dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.