ECLI:NL:CRVB:2015:1829

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2015
Publicatiedatum
10 juni 2015
Zaaknummer
15-2098 WIA-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend financieel belang

Verzoeker, een voormalige productiemedewerker, viel op 21 april 2010 uit en werd na de wettelijke wachttijd beoordeeld op zijn recht op een WIA-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 4 april 2012 vast dat verzoeker geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en beroep op 27 september 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond.

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en vroeg om een voorlopige voorziening in afwachting van de definitieve beslissing. Hij stelde dat hij door de weigering in financiële nood was gekomen en niet meer in het levensonderhoud van zijn gezin kon voorzien.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek en concludeerde dat er geen sprake was van een spoedeisend financieel belang. Verzoeker overlegde financiële gegevens waaruit bleek dat zijn echtgenote een netto inkomen van minstens €1.500 per maand heeft, wat hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Dit maakte aannemelijk dat in de primaire levensbehoeften van het gezin kon worden voorzien. Ook andere verklaringen konden dit niet veranderen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 1 juni 2015 door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.

Uitspraak

15/2098 WIA-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te[woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juni 2015
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. P.A. Schippers, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 december 2013, 12/3560 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Schipper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitvoerig overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.
1.2.
Verzoeker is productiemedewerker geweest. Op 21 april 2010 is hij voor dit werk uitgevallen. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft een beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) plaatsgevonden. Na rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 4 april 2012 vastgesteld dat verzoeker met ingang van 18 april 2012 geen recht heeft op een
WIA-uitkering.
1.3.
Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is, in overeenstemming met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 27 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de Raad verzocht, in afwachting van de definitieve beslissing van de Raad op het door hem ingestelde hoger beroep, om een voorlopige voorziening te treffen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft verzoeker onder meer naar voren gebracht dat hij als gevolg van de weigering hem een WIA-uitkering toe te kennen in een financiële noodsituatie terecht is gekomen en hij niet meer kan voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb, kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
4.3.
Desgevraagd heeft verzoeker in de aanloop naar de zitting financiële gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn echtgenote op dit moment een inkomen heeft van minstens € 1.500,- netto per maand. Aangezien dit inkomen hoger is dan de op dit moment geldende bijstandsnorm voor gehuwden en verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat van dit inkomen niet in de primaire levensbehoeften van zijn gezin kan worden voorzien, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker thans niet in een financiële noodsituatie verkeert. Een verklaring van een familielid, waarin is gesteld dat hij financieel heeft bijgedragen in het levensonderhoud van het gezin van verzoeker, maakt dit niet anders.
4.4.
Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2015.
(getekend) M. Greebe
(getekend) P. Uijtdewillegen
ew