ECLI:NL:CRVB:2015:1575
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wubo
Appellante, geboren in 1928 in Nederlands-Indië, vroeg in 2007 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Dit verzoek werd in 2008 afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij relevante gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting en Bersiap-periode.
In 2012 diende appellante een nieuw verzoek in tot herziening, dat eveneens werd afgewezen in 2013. Verweerder oordeelde dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening. Appellante stelde onder meer dat zij getuige was geweest van beschietingen, seksuele intimidatie en het neerschieten van een Nederlandse militair, maar deze verklaringen werden niet als voldoende bewijs van directe betrokkenheid erkend.
De Raad toetste het bestreden besluit met terughoudendheid en concludeerde dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd die het eerdere besluit in een nieuw licht plaatsten. De persoonlijke betrokkenheid zoals vereist door de Wubo was niet aannemelijk gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de herziening wordt ongegrond verklaard.