ECLI:NL:CRVB:2015:1483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen intrekking huishoudelijke verzorging niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om de huishoudelijke verzorging, verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010 in te trekken en het persoonsgebonden budget terug te vorderen.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na ontvangst van het besluit was ingediend. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond geen reden om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, mede omdat appellant na een telefonisch onderhoud met het college op 8 mei 2013 niet tijdig actie had ondernomen.
Appellant voerde aan het besluit niet te hebben ontvangen en betwistte de verzending, waardoor de bezwaartermijn niet zou zijn gestart. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat het besluit op 19 maart 2013 was verzonden en op 20 maart 2013 ontvangen, en dat appellant onvoldoende had betwist dat hij het besluit redelijkerwijs had kunnen ontvangen.
Daarom was het bezwaarschrift te laat ingediend en was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van huishoudelijke verzorging is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.