ECLI:NL:CRVB:2015:146

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2015
Publicatiedatum
27 januari 2015
Zaaknummer
13-5148 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWBArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding restantvordering WWB wegens niet voldoen voorwaarden

Appellant is op grond van besluiten uit 1994 en 1995 verplicht een bedrag van €35.276,41 terug te betalen aan de Dienst Werk en Inkomen van Utrecht wegens onterecht betaalde bijstand door schending van de inlichtingenplicht. Sinds eind 1995 lost appellant af op deze schuld.

In 2012 verzocht appellant om kwijtschelding van de restantvordering van €24.498,62, maar het college wees dit verzoek af op grond van de Beleidsregels Terugvordering WWB, omdat appellant minder dan 50% van de hoofdsom had afgelost na vijf jaar en sprake was van verwijtbare schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat er dringende redenen zijn voor kwijtschelding, zoals zijn aflossingsgeschiedenis, gezinssituatie, extra ziektekosten en bijkomende schulden. De Raad oordeelt dat het college discretionaire bevoegdheid heeft om terugvordering te doen, maar dat appellant niet voldoet aan de beleidsregels en er geen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te wijken.

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de restantvordering wordt afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de beleidsregels en er geen bijzondere omstandigheden zijn.

Uitspraak

13/5148 WWB
Datum uitspraak: 27 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
2 augustus 2013, 12/3972 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J. Joosten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 14 april 2014 heeft mr. Joosten zich als gemachtigde van appellant teruggetrokken.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant moet op grond van besluiten van 28 november 1994 en 5 maart 1995 aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht een bedrag van € 35.276,41 terugbetalen in verband met als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte betaalde bijstand. Appellant lost sinds eind 1995 op deze schuld af.
1.2.
Bij brief van 21 mei 2012 heeft appellant het college verzocht om kwijtschelding van de restantvordering van € 24.498,62. Bij besluit van 11 juni 2012 heeft het college dit verzoek afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 25 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 juni 2012, onder verwijzing naar de Beleidsregels Terugvordering WWB (Beleidsregels), ongegrond verklaard. Op grond van artikel 13 van Pro de Beleidsregels wordt geen kwijtschelding verleend indien de vordering het gevolg is van verwijtbaar schenden van de inlichtingenverplichting en na vijf jaar betalen minder dan 50% van de hoofdsom is afgelost. Appellant heeft minder dan 50% van de hoofdsom afgelost.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij voert aan dat in zijn geval sprake is van dringende redenen om af te zien van verdere terugvordering, zodat hem kwijtschelding moet worden verleend. Hij heeft vanaf 1996 elke maand aan zijn aflossingsverplichting voldaan, hij heeft drie studerende kinderen thuis, zijn echtgenote werkt niet, hij heeft extra ziektekosten voor zijn echtgenote vanwege haar gezondheidssituatie en hij kampt met bijkomende schulden ter hoogte van € 10.000,- die hij ook moet aflossen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 58 van Pro de Wet werk en bijstand (tekst tot 1 januari 2013) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. Het gaat daarbij om een discretionaire bevoegdheid van het college. Volgens vaste rechtspraak van de Raad
(zie de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3647) moet de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering daarin besloten worden geacht.
4.2.
Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college op 1 juli 2012 de Beleidsregels vastgesteld. Niet in geschil is dat appellant niet aan de in de Beleidsregels gestelde voorwaarden voor kwijtschelding voldoet. Het college heeft in lijn met de Beleidsregels gehandeld. De vraag die voorligt is of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de Beleidsregels had moeten afwijken.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarin geen grond is gelegen voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb van de Beleidsregels af te wijken. De Raad benadrukt hier dat zich vele personen in de omstandigheid bevinden dat zij al langdurig op een schuld aflossen, zonder dat zij uitzicht hebben op het volledig aflossen van de verschuldigde hoofdsom. Appellant heeft, net als die anderen, de bescherming van de regels inzake de beslagvrije voet, zodat hij steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar
op 27 januari 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M.S. Boomhouwer

MK