ECLI:NL:CRVB:2015:1428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant en appellante ontvingen bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB) met verschillende adressen. Na een melding dat appellant niet op zijn bijstandsadres woonde, startte het college een onderzoek waarbij onder meer sociale recherche werd ingezet. Uit het onderzoek bleek dat appellanten sinds de geboorte van hun gehandicapte kind gezamenlijk een huishouden voerden op het adres van appellante.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellanten en getuigen, observaties van sociale rechercheurs en het extreem lage waterverbruik op het adres van appellant voldoende bewijs vormden dat appellant zijn hoofdverblijf niet op zijn eigen adres had. De door appellanten aangevoerde verklaringen van hulpverleners en een voormalig buddy waren onvoldoende om dit te weerleggen.
Gelet op de gezamenlijke huishouding en het niet nakomen van de inlichtingenplicht was het college bevoegd om de bijstand over de periode 1 augustus 2007 tot en met 31 maart 2012 in te trekken en terug te vorderen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees de beroepen van appellanten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd.