Uitspraak
OVERWEGINGEN
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was werkzaam bij een universiteit en kreeg in 2002 disciplinair ontslag wegens ongewenste seksuele toenadering tot studentes. Na diverse procedures bevestigde de Centrale Raad van Beroep in 2005 het ontslag. In 2014 werd een verzoek tot herziening ingediend, gebaseerd op het vermeende onvoldoende optreden van de toenmalige advocaat en nieuwe feiten uit 2002.
De Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van de wettelijke criteria voor herziening, waaronder dat nieuwe feiten niet eerder bekend mochten zijn en het verzoek niet onredelijk laat mocht worden ingediend. Omdat niet was gesteld of gebleken dat betrokkene minder dan een jaar voor het verzoek bekend was met de nieuwe feiten, oordeelde de Raad dat het verzoek onredelijk laat was.
Daarom werd het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard. De procedure werd voortgezet door de erven na het overlijden van betrokkene, maar dit had geen invloed op de ontvankelijkheid. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de bestuursrechtelijke ontslaguitspraak is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke late indiening.