ECLI:NL:CRVB:2015:1371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Y.J. Klik
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellanten, die sinds 1998 gescheiden zijn, ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme tip werd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand aan appellante. Uit het onderzoek en verklaringen van betrokkenen bleek dat appellant feitelijk zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.
Het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân trok daarom bij besluit de bijstand aan appellante in over de periode van 24 maart 2011 tot en met 28 februari 2012 en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken.
De Raad oordeelde dat het feit dat appellant zorg verleende aan appellante niet uitsluit dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. De aanwezigheid van appellant was ruimer dan alleen de uren zorg en hij verbleef ook regelmatig 's nachts bij appellante. De Raad verwierp het verweer dat appellante ten onrechte werd verweten de inlichtingenplicht te hebben geschonden en dat de bijstand onredelijk werd teruggevorderd.
De Raad concludeerde dat appellante als gehuwd moest worden aangemerkt en daarom geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De intrekking en terugvordering van de bijstand was dan ook terecht en de aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en verklaart de beroepen tegen de intrekking en terugvordering van bijstand ongegrond.