ECLI:NL:CRVB:2015:1351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet bewezen
Appellante en appellant ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het college van Almere trok de bijstand in en vorderde terugbetaling omdat zij meende dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. De rechtbank bevestigde dit deels, maar constateerde motiveringsgebreken in de terugvordering voor bepaalde periodes.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat voor de periodes 1 mei 2008 tot en met 31 maart 2009 onvoldoende feitelijke grondslag bestond om te concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Diverse getuigenverklaringen en onderzoeksbevindingen boden geen eenduidig bewijs van samenwoning.
Daarom vernietigde de Raad de besluiten voor deze periodes en herroept zij de intrekking en terugvordering over deze periodes. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over de periodes 1 mei 2008 tot en met 31 maart 2009 worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding.