ECLI:NL:CRVB:2015:134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering bij geschiktheid voor geselecteerde functies ondanks psychische beperkingen
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel in 2005 uit wegens long- en psychische klachten. Na de wachttijd stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor zij geen WIA-uitkering kreeg. In 2009 viel zij opnieuw uit met klachten, waarna het UWV opnieuw oordeelde dat zij geschikt was voor passende functies zonder verlies van verdiencapaciteit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de psychische klachten niet leidden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De medische informatie van de huisarts was te oud en de conclusie van de bedrijfsarts onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen werden onderschat, ondersteund door een verzekeringsgeneeskundig rapport en een brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De Raad oordeelde echter dat deze nieuwe informatie niet relevant was voor de datum in geschil en bevestigde de eerdere beoordeling.
De Raad concludeerde dat de functionele mogelijkhedenlijst adequaat was opgesteld en dat de arbeidsdeskundige de geschiktheid voor functies voldoende had gemotiveerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.