Uitspraak
,bijgestaan door mr. Vleesenbeek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving aanvankelijk bijstand naar de norm voor gehuwden en later als alleenstaande met toeslag. Na het verbreken van zijn relatie vroeg hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met terugwerkende kracht vanaf november 2010, gesteund op een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) dat zijn zoon vanaf die datum bij hem woonde.
Het college wees dit verzoek af omdat het Svb-besluit geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde die rechtvaardigde om terug te komen op eerdere, onherroepelijke besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet eerder bezwaar had gemaakt omdat hij mondeling melding had gedaan van zijn inwonende zoon.
De Raad oordeelde dat appellant dit eerder had kunnen aanvoeren en dat het Svb-besluit geen nieuw feit is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Zonder nieuw feit kan het college niet terugkomen op haar eerdere besluiten. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft de bijstand niet met terugwerkende kracht toe te kennen.