ECLI:NL:CRVB:2015:1160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag overlijdensuitkering AOW wegens ontbreken gezinsverband
Appellante diende een aanvraag in voor een overlijdensuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) na het overlijden van haar moeder op 15 augustus 2011. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 18 AOW Pro, met name het vereiste van het in gezinsverband leven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat uit de stukken bleek dat appellante en haar moeder op verschillende adressen woonden, waardoor geen gezinsverband bestond. In hoger beroep stelde appellante dat zij als enige voor haar moeder zorgde en daarom recht had op de uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het enkele feit dat appellante de verzorging op zich nam niet voldoende is om te spreken van een gezinsverband zoals bedoeld in de wet. Omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij en haar moeder samenwoonden, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien om appellante te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 april 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar moeder in gezinsverband leefden ten tijde van het overlijden.