ECLI:NL:CRVB:2015:1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant ontving tot 3 juli 2007 een WAO-uitkering die werd ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Op 30 augustus 2010 meldde hij zich ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie en kreeg ziekengeld toegekend. Het UWV beëindigde het ziekengeld per 28 december 2011 omdat appellant niet meer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant geschikt was voor ten minste één van de geduide functies en dat de psychische en lichamelijke klachten niet waren onderschat. In hoger beroep stelde appellant dat de UWV-rapporten onzorgvuldig en inconsistent waren, maar de Raad vond de medische grondslag voldoende en het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig.
De Raad concludeerde dat de rapporten van de UWV-artsen, inclusief het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts die alle dossiergegevens betrok, een voldoende basis vormden om appellant per 28 december 2011 als geschikt voor arbeid te achten. De door appellant overgelegde rapporten van een medisch adviseur die hem niet onderzocht had, gaven geen aanleiding tot twijfel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 28 december 2011 wordt bevestigd.