ECLI:NL:CRVB:2015:1106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontvangt sinds 1988 een WAO-uitkering, die in 2009 werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In november 2011 meldde zij zich toegenomen arbeidsongeschikt vanwege psychische problemen, gerelateerd aan de moord op haar broer in 2005. Het UWV weigerde de uitkering te herzien na medisch onderzoek waaruit bleek dat haar arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen.
Appellante voerde aan dat haar klachten waren toegenomen door bedreigingen aan haar andere broer, onderbouwd met een proces-verbaal van december 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat er geen aannemelijk verband was tussen deze gebeurtenissen en een toename van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische beoordeling zorgvuldig was en geen verslechtering van haar psychische toestand was vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de medische rapporten en het tijdsverloop had meegewogen. Er was geen bewijs van een wezenlijke verslechtering sinds 2009 en geen reden om een deskundige aan te wijzen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.