Uitspraak
4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bijstand aangevraagd nadat zijn Ziektewet-uitkering was beëindigd en een aanvraag voor een WW-uitkering was afgewezen. Het college kende bijstand toe met terugwerkende kracht vanaf de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres van zijn moeder. Appellant stelde dat hij eerder feitelijk in de gemeente woonde en dat de bijstand daarom vanaf een eerdere datum had moeten ingaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Appellant kon geen bijzondere omstandigheden aantonen en had onvoldoende onderbouwd dat hij eerder woonachtig was op het adres van zijn moeder.
De Raad oordeelde dat het college conform het beleid mocht uitgaan van de datum van inschrijving in de GBA als ingangsdatum van de bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de ingangsdatum van 3 december 2012 bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand is terecht vastgesteld op de datum van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, 3 december 2012.