ECLI:NL:CRVB:2015:1063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
13-2327 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:3 Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens opheffing betrekking na privatisering gemeenschapshuis

Appellant was werkzaam bij de gemeente Heeze-Leende en verbonden aan het gemeenschapshuis dat per 1 september 2011 werd geprivatiseerd en overging naar een stichting. Bij deze privatisering gingen de medewerkers niet mee over, en appellant werd niet aangenomen door de stichting waarop hij had gesolliciteerd.

Wegens opheffing van zijn betrekking werd appellant met ingang van 15 april 2011 gedeeltelijk ontslagen, waarbij een re-integratiefase werd ingesteld. Gedurende deze periode werd appellant gedetacheerd bij de stichting en later bij een andere organisatie, maar passende functies binnen de gemeente waren niet beschikbaar. Uiteindelijk werd het ontslag voor het resterende deel van het dienstverband verleend.

Appellant voerde aan dat het college zich niet als goed werkgever had opgesteld en dat een sociaal statuut had moeten worden toegepast. De Raad oordeelde dat de wijze van privatisering en het ontslag rechtmatig waren, dat het college geen zeggenschap meer had over het gemeenschapshuis en dat een sociaal statuut geen toegevoegde waarde had gehad omdat appellant de enige vaste medewerker was.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens opheffing van de betrekking bevestigd.

Uitspraak

13/2327 AW
Datum uitspraak: 2 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
20 maart 2013, 12/3640 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. A. de Visser een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Visser en J.A. Wout.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was aangesteld bij de gemeente Heeze-Leende en werkzaam als[naam functie] bij [naam gemeenschapshuis]. In 2007 is hij herplaatst als [naam functie 2]. Na beëindiging van deze plaatsing is hij teruggeplaatst als [naam functie 3] bij d’n [naam gemeenschapshuis] voor 32 uur per week.
1.2.
Per 1 mei 2009 is appellant in eerste instantie voor 32 uur en later voor 24 uur gedetacheerd in de functie van [naam functie 4] bij de gemeente [naam gemeente].
1.3.
Het gemeenschapshuis is per 1 september 2011 geprivatiseerd en overgegaan naar Stichting [naam stichting]. Afgesproken is dat het personeel niet mee over zou gaan.
1.4.
Wegens algehele opheffing van zijn betrekking is aan appellant bij besluit van
5 april 2011 met ingang van 15 april 2011 deeltijdontslag verleend voor 8 uren. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar heeft dit later weer ingetrokken. Aan het ontslag is een re-integratiefase verbonden.
1.5.
In het kader van zijn re-integratie als gevolg van het ontslagbesluit van 5 april 2011 is appellant van 1 augustus 2011 tot 15 december 2011 voor 12 uur per week gedetacheerd bij Stichting [naam stichting 2] in de functie van[naam functie][naam functie 4]
1.6.
Omdat de gemeente [naam gemeente] niet de financiële middelen had om appellant in dienst te nemen, is de detachering aldaar op 1 januari 2012 ten einde gekomen. Het college wilde niet langer meewerken aan detacheringsconstructies. Andere passende functies waren volgens het college binnen de eigen organisatie niet voorhanden. Appellant is met ingang van 1 februari 2012 voor 8 uren per week in dienst getreden bij 18K en tewerkgesteld bij de gemeente [naam gemeente]. Hiermee is de re-integratiefase behorende bij het deeltijdontslag van 5 april 2011 vervroegd beëindigd en was het ontslag voor 8 uren per week met ingang van 1 februari 2012 een feit.
1.7.
Bij besluit van 13 juni 2012, gewijzigd op 21 augustus 2012 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2012, heeft het college appellant met inachtneming van een
re-integratiefase voor het restant van zijn dienstverband van 24 uren wegens opheffing van zijn betrekking uiterlijk per 1 juni 2013 ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van Pro de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst. Daaraan is ten grondslag gelegd dat ten tijde van de overname van d’n [naam gemeenschapshuis] afspraken zijn gemaakt dat het personeel niet mee over zou gaan naar Stichting[naam stichting] Appellant heeft bij de stichting gesolliciteerd maar is niet aangenomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens appellant heeft het college zich niet als een goed werkgever opgesteld, nu hij van een vaste aanstelling naar een flexcontract is gegaan en er voor het college twee maal de mogelijkheid was hem gewoon het werk te laten volgen. De Raad volgt appellant daarin niet. Niet valt in te zien dat de wijze waarop het college en de Stichting [naam stichting] de overname van het gemeenschapshuis hebben vormgegeven, niet toelaatbaar zou zijn. Appellant is niet overgegaan naar de stichting. Zijn sollicitatie bij de stichting is niet succesvol geweest. Gelet op de privatisering heeft het college geen zeggenschap meer over het gemeenschapshuis. Dat door het college aan het gemeenschapshuis subsidie wordt verstrekt maakt dit niet anders. Dat bij de privatisering van het welzijnswerk een medewerker is overgegaan naar de nieuwe organisatie, kan evenmin afdoen aan het hier overwogene.
4.2.
Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte geen Sociaal Statuut tot stand is gekomen merkt de Raad op dat de gang van zaken hieromtrent niet de schoonheidsprijs verdient. Een brief aan appellant van 29 mei 2008 wekt immers de indruk dat op privatisering een Sociaal Statuut van toepassing zou zijn. Nu appellant ten tijde van het privatiseringsproces de enige medewerker met een vaste aanstelling bleek, zou een Sociaal Statuut geen toegevoegde waarde hebben gehad.
4.3.
Ten aanzien van hetgeen appellant tot slot heeft aangevoerd met betrekking tot het herplaatsingsonderzoek merkt de Raad op dat dit valt buiten het kader van het onderhavige ontslag.
4.5.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B. Rikhof

MK