ECLI:NL:CRVB:2015:1062
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit periodieke Wuv-uitkering tweede-generatieslachtoffer
Appellant, geboren in 1952, is in 1993 als tweede-generatieslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Hoewel hem een bijzondere voorziening werd toegekend, werd hem aanvankelijk een periodieke uitkering geweigerd. Na bezwaar werd hem in 1994 alsnog een periodieke uitkering toegekend, gebaseerd op het wettelijk minimum en zijn laatstelijk uitgeoefende beroep als schoonmaker.
Appellant heeft meerdere malen verzocht om herziening van dit besluit, maar deze verzoeken zijn steeds afgewezen en de Raad heeft eerdere beroepen ongegrond verklaard. In 2012 diende appellant opnieuw een verzoek tot herziening in, stellende dat zijn psychische klachten al vóór 1992 manifest waren en dat het peiljaar en peilberoep bij de vaststelling van de uitkering daarom herzien moesten worden.
De Raad oordeelt dat verweerder slechts met terughoudendheid kan worden getoetst bij het herzieningsverzoek en dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening. De eerdere uitspraken en besluitvorming hebben de problematiek uitvoerig behandeld en de thans overgelegde verklaring is onvoldoende om het eerdere besluit te herzien. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.