ECLI:NL:CRVB:2014:991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging WW-uitkering wegens overschrijding termijn
Appellante ontving een WW-uitkering die het UWV bij besluit van 19 juli 2012 met terugwerkende kracht beëindigde per 30 januari 2012. Het UWV vorderde vervolgens het te veel ontvangen bedrag terug. Appellante maakte op 3 september 2012 bezwaar, na de wettelijke termijn van zes weken die op 30 augustus 2012 eindigde. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn zonder verschoonbare reden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante de termijn had moeten respecteren, ook al had zij contact gehad met medewerkers van de gemeente en het UWV. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Het besluit van 19 juli 2012 was ondubbelzinnig en bevatte een bezwaarclausule. Appellante was juridisch niet onbekwaam om dit te begrijpen en had tijdig bezwaar kunnen maken.
Ondanks de stelling van appellante dat zij tegenstrijdige informatie ontving, bleek uit het dossier dat dit niet aannemelijk was. Zelfs als zij pas na het terugvorderingsbesluit van 28 augustus 2012 duidelijkheid kreeg, was er nog voldoende tijd om bezwaar te maken. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de WW-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn zonder verschoonbare reden.