ECLI:NL:CRVB:2014:939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum herziening ouderdomspensioen bij onjuist besluit Sociale Verzekeringsbank
Appellante, geboren in 1938, ontving vanaf maart 2003 een ouderdomspensioen van 94% vanwege een vermeende niet-verzekeringsperiode. In 2011 verzocht zij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om herziening van de korting. De Svb herzag het pensioen met ingang van juni 2006 naar 100%, maar wees verdere terugwerkende kracht af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat het volledige pensioen al vanaf maart 2003 had moeten ingaan. De Raad overwoog dat het beleid van de Svb, dat bij een fout van de Svb een herziening met maximaal vijf jaar terugwerkende kracht toestaat, rechtens aanvaardbaar is. Het nalaten van appellante om destijds bezwaar te maken, draagt mede haar risico.
De Raad verwierp het verzoek om coulance-uitbetaling en oordeelde dat de overige verzoeken buiten de procedure vallen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht tot maximaal vijf jaar wordt bevestigd.